Van de drie grote fases in het draaien – centreren, opentrekken, optrekken – is optrekken de fase die het meest intuïtief klinkt en in de praktijk het langst duurt om echt te beheersen. Je wand omhoogtrekken: hoe moeilijk kan dat zijn? Maar wie al een tijdje draait, weet dat er in die beweging meer zit dan op het eerste gezicht lijkt, en dat de kwaliteit van je optrekken het verschil maakt tussen een pot die toevallig staat en een pot die bedoeld staat.
Je knijpt, je trekt niet
De naam “optrekken” is eigenlijk misleidend. Je trekt de klei niet omhoog, dat is onmogelijk zonder de wand te scheuren. Wat je doet, is de klei samenknijpen tussen je vingers van buiten en van binnen, en die klei heeft dan nergens anders naartoe dan omhoog. De opwaartse beweging is een gevolg van de druk, niet van een trekkende handeling.
Dat klinkt als een semantisch onderscheid, maar het heeft directe gevolgen voor hoe je je handen positioneert en hoeveel kracht je gebruikt. Makers die proberen te “trekken” , die hun binnenvinger actief omhoog bewegen om de klei mee te slepen, verliezen contact met de wand en krijgen ongelijkmatige dikte. Makers die knijpen en de klei zijn eigen weg laten gaan, houden veel meer controle.
De binnenvinger en de buitenvinger werken samen als een tang: ze bewegen gelijktijdig omhoog, in hetzelfde tempo, met hetzelfde contact. Zodra één van de twee sneller of langzamer gaat dan de andere, ontstaat er een dikkere of dunnere zone.
Eerst verdunnen, dan pas omhoog
Dit is misschien het meest concrete technische inzicht over optrekken dat Aster Caemaert geeft, en het is ook het inzicht dat makers die vastlopen het vaakst helpt: voor je omhoog gaat, moet je eerst voelen dat de wand verdunt.
Wat ze bedoelt is dit. Als je je vingers aanzet aan de wand en meteen begint te stijgen, werk je tegen de weerstand van de klei. De klei is nog niet klaar om omhoog te gaan, hij moet eerst zijwaarts gecondenseerd worden voor hij de ruimte heeft om te stijgen. Door een fractie te wachten, door te voelen hoe de wand onder je vingers dunner wordt voor je de beweging naar boven inzet, geef je de klei de kans om samen te werken met je beweging in plaats van ertegen in te gaan.
Dit is iets dat je niet kunt zien, je kunt het alleen voelen. En dat is ook waarom het zo lang duurt om te leren: je moet je handen trainen om informatie te lezen die niet visueel is. De dikte van de wand onder je vingers, de weerstand van de klei, het moment waarop hij klaar is om te bewegen, dat zijn allemaal tactiele signalen die langzaam vertrouwder worden naarmate je meer uren maakt.
De koeltoren: jouw referentiepunt voor de juiste vorm
Als je aan het optrekken bent, is er een constante neiging om je wand te wijd te laten gaan. Klei wil altijd open, de centrifugale kracht van de schijf duwt de wand voortdurend naar buiten, en als je daar niet actief tegenwerkt, eindig je met een pot die breder is bovenaan dan onderaan, wat vroeg of laat instort.
Aster gebruikt het beeld van een koeltoren: die typische vorm die breder is onderaan en smaller wordt naar boven toe. Dat is de vorm die je in je achterhoofd moet houden terwijl je optrekt. Niet de vorm van je eindpot, die kan later bijgestuurd worden, maar de basisvorm die de stabiliteit garandeert terwijl je werkt.
Door bewust iets smaller te werken dan je uiteindelijk wil, bouw je een buffer in. Als de klei neiging heeft om te openen, laat je hem een beetje open gaan en heb je nog steeds de gewenste breedte. Als je al op je gewenste breedte zit en de klei nog wil opengaan, heb je geen marge meer en verlies je de controle.
Hoe handsnelheid en draaisnelheid samenwerken
Optrekken werkt alleen goed als de verhouding tussen je handsnelheid en de draaisnelheid van de schijf klopt, en die verhouding is nauwkeuriger dan veel mensen denken.
Je handen bewegen omhoog: langzaam, beheerst, bijna tegen de intuïtie in. Je schijf draait: vlot, niet op volle toeren maar voldoende snel. Hoe langzamer je handen gaan ten opzichte van je schijf, hoe meer draairingen er in je wand komen, fijne, evenwijdige groeven die bewijzen dat je contact regelmatig en gelijkmatig was over de hele omtrek.
Ga je te snel met je handen, dan leg je maar een paar keer contact per omwenteling van de schijf. Dat geeft spiraalvormige sporen, ongelijke dikte en een wand die niet homogeen is. De schijf heeft de tijd niet gekregen om de druk te verdelen.
Een manier om dit te voelen is je handen stil te houden terwijl de schijf draait, gewoon contact houden zonder te bewegen. Je voelt dan hoe de klei passeert, hoe de druk verdeeld wordt, hoe de schijf het werk doet. Vanuit die stilstand begin je dan heel langzaam te stijgen, en je probeert dat gevoel van gelijkmatig contact vast te houden.
Gelijkmatige wanden: hoe kritisch moet je zijn?
Een van de dingen die beginners onderscheiden van gevorderde draaiers is hoe kritisch ze zijn op de gelijkmatigheid van hun wanden. Beginners zijn blij als de pot staat. Gevorderde draaiers zijn ontevreden als de wand aan één kant een millimeter dikker is dan aan de andere.
Die kritische blik is geen perfectionisme, het is een leermiddel. Hoe meer je let op wat er niet gelijkmatig is, hoe sneller je begrijpt wat je eraan gedaan hebt. Met een naald kun je de wand op regelmatige hoogte controleren: steek hem er horizontaal in en voel hoeveel klei er aan beide kanten van je vingers zit. Doe dat op meerdere plekken over de hoogte van de pot.
Dat je kritisch bent op ongelijkmatige wanden betekent niet dat je altijd perfect moet eindigen. Het betekent dat je begrijpt waar de ongelijkmatigheid vandaan komt, zodat je het de volgende keer anders kunt aanpakken. Wie zijn fouten niet registreert, herhaalt ze.
De meest gemaakte fout: de worst
Er is één fout die Aster regelmatig terugziet bij makers die al een tijdje draaien en denken dat ze optrekken begrijpen: de worstkneep. De worst ontstaat als je de buitenste hand te hard en te ongericht duwt, zonder dat de binnenvinger de tegendruk verzorgt. In plaats van de wand te verdunnen en te laten stijgen, duw je een ring van klei naar buiten als een worst op een bepaalde hoogte.
Je herkent het resultaat: een pot met een duidelijke buik op één bepaalde hoogte, terwijl de wand boven en onder die buik dunner is. De worst heeft de klei als het ware verplaatst in plaats van gelijkmatig verdeeld.
De correctie is simpel maar vraagt oefening: zorg dat de binnenvinger altijd even hard werkt als de buitenhand. De binnenvinger geeft de richting aan, omhoog, licht naar binnen, en de buitenhand volgt met tegendruk. Zodra de buitenhand dominant wordt, mist de binnenvinger de aansturing en verlies je de controle over waar de klei naartoe gaat.
Hoeveel bewegingen heb je nodig?
Het antwoord dat ervaren draaiers geven is altijd hetzelfde: zo weinig mogelijk. Niet als een absolute regel, maar als richtlijn. Elke keer dat je optrekbeweging opnieuw begint, zet je je vingers opnieuw aan op de wand, en dat aanzetten is een moment van risico, je klei is op dat punt even niet in een gecontroleerde beweging. Hoe minder vaak je dat doet, hoe minder risico.
Voor beginners is het normaal om zes, zeven, acht bewegingen nodig te hebben om de gewenste hoogte te bereiken. Naarmate je beter wordt, merk je dat je meer klei meeneemt per beweging en minder bewegingen nodig hebt. Drie à vier is voor veel gevorderde draaiers de richtlijn voor een middelgrote pot.
Probeer het niet geforceerd te verminderen, dat leidt tot te harde druk en dunne wanden die instorten. Maar houd het wel in het achterhoofd als indicator: als je na een jaar nog altijd evenveel bewegingen nodig hebt als aan het begin, is er iets in je techniek dat niet verbeterd is.
Vlotjes draaien, beheerste handen
Ergens in de samenvatting van de module ‘optrekken’ zegt Aster iets dat goed omschrijft waar je naartoe werkt: je draait altijd vlotjes, maar je handen zijn super beheerst. Die twee dingen horen samen. Een vlotte schijf en trage, bewuste handen, dat is het ritme van goed optrekken.
Het duurt lang voor dat ritme vanzelf gaat. Maar als het er eenmaal in zit, merk je het ook in je potten: gelijkmatige wanden, een consistente dikte van boven tot onder, en een vorm die klopt omdat je hem bedoeld hebt en niet omdat hij toevallig zo uitgevallen is.
In de online cursus Leren Draaien voor Beginners van Aster Caemaert wordt optrekken behandeld over meerdere lessen, met close-up beelden van de handposities, de meest gemaakte fouten en hoe je wanden corrigeert als ze niet gelijkmatig zijn. Je kunt elke les zo vaak herbekijken als je nodig hebt.
→ Bekijk de cursus Leren Draaien voor Beginners
Cursist is het Nederlandstalige online leerplatform voor keramiek, pottenbakken en klei. Onze cursussen worden gegeven door topexperten en zijn levenslang beschikbaar.


